Vorige - Inleiding
Openbaring 1
1. Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden, en welke Hij door de zending van zijn engel aan zijn dienstknecht Johannes heeft te kennen gegeven.
2. Deze heeft van het woord Gods getuigd en van het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij gezien heeft.
3. Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.
4. Johannes aan de zeven gemeenten in Asia: genade zij u en vrede van Hem, die is en die was en die komt, en van de zeven geesten, die voor zijn troon zijn,
5. en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden
en de overste van de koningen der aarde.Hem,
die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed
6. – en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt – Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen.
7. Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken;
en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen.
8. Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige.
9. Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het woord Gods en het getuigenis van Jezus.
10. Ik kwam in vervoering des geestes op de dag des Heren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin,
11. zeggende: Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten: naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamum, en naar Tyatira, en naar Sardes, en naar Filadelfia en naar Laodicea.
12. En ik keerde mij om, ten einde de stem te zien, die met mij sprak. En toen ik mij omkeerde, zag ik zeven gouden kandelaren,
13. en te midden van de kandelaren iemand als eens mensen zoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, en aan de borsten omgord met een gouden gordel;
14. en zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam;
15. en zijn voeten waren gelijk koperbrons, als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem was als een geluid van vele wateren.
16. En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aanzien was gelijk de zon schijnt in haar kracht.
17. En toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten; en Hij legde zijn rechterhand op mij en zeide: Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste,
18. en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
19. Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen geschieden zal.
20. Het geheimenis der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren: de zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de kandelaren zijn de zeven gemeenten.
Openbaring 1
Jezus
In het kort: Uitleg
Zowel de kern van dit boek als de kern van de geschiedenis is: Jezus Christus
Hoofdstukken 2 en 3 behandelen de kerkgeschiedenis, die al begonnen was, dus 'de tijd was nabij'.
De verzen over de godheid tonen aan dat Jezus God is en dat Jezus de Persoon is in Wie God Zich openbaart.
Als de Mens die de dood overwon, is Jezus zowel de Koning der koningen als de Heer der heren en Degene die zijn gelovigen liefhad, hen van hun zonden reinigde en hen tot koningen en priesters voor zijn Vader maakte, tussenpersonen tussen het huis van de Vader en de schepping - zoals te zien is aan het einde van het boek in 'het nieuwe Jeruzalem'.
De wederkomst van Jezus, op de wolken van de hemel, zal het absolute hoogtepunt van de geschiedenis zijn - te aanschouwen door de hele wereld, met een diep besef van het falen om Hem te erkennen die door de hele geschiedenis heen aanbeden had moeten worden.
De apostel Johannes, in gevangenschap op het eiland Patmos, ontvangt de openbaring van een engel, die deze op zijn beurt van Jezus ontving. Johannes hoort dus eerst de stem van de engel en ziet daarna Jezus in zijn stralende glorie. Tweemaal krijgt Johannes de opdracht om de dingen die hij hoort en ziet in een boek op te schrijven - eerst van de engel, daarna van Jezus. Van Jezus krijgt Johannes de contouren van wat hij moet schrijven: (1) wat hij heeft gezien - Openbaring 1 - (2) wat er is - Openbaring 2,3 - (3) wat er daarna zal zijn - Openbaring 4-21
De zeven gemeenten, die de zeven kerkfasen door de geschiedenis heen vertegenwoordigen, worden gezien als zeven kandelaren - waartussen Jezus wandelt, voorgesteld door zeven sterren - die in Jezus' hand zijn. De sterren moesten licht verspreiden in de kerk, terwijl de kerk licht moest verspreiden in de wereld - beide volledig afhankelijk van Jezus voor enig succes.
Openbaring 1
Jezus Christus is het heilige middelpunt van het boek Openbaring, zoals Hij dat is in de geschiedenis en zal zijn bij de komst van Gods koninkrijk, waarvan het boek Openbaring getuigt. Het boek heet daarom ‘De Openbaring van Jezus Christus’ – de openingswoorden van het boek. Een van Jezus’ engelen en de apostel Johannes waren slechts de instrumenten waardoor deze Openbaring de wereld bereikte.
Op het moment dat Johannes het boek schreef, stond de kerkgeschiedenis, zoals beschreven in hoofdstuk 2 en 3, op het punt zich te ontvouwen. Vandaar dat we uitdrukkingen lezen als ‘de tijd is nabij’ en over ‘dingen die spoedig moeten gebeuren’.
De moeilijkheid om het boek te begrijpen wordt alleen overtroffen door het belang ervan. Het is het enige boek van de Bijbel dat een zegen belooft aan hen die het lezen en naleven. Deze zegen is vooral belangrijk nu de eindtijd zo dichtbij is en we op de drempel staan van de bijzondere belofte die de Heer aan de gemeente van Philadelphia gaf. Deze belofte moet worden nageleefd vanaf ‘het uur van de verleiding’ en is verbonden met het naleven van ‘zijn woord’. Deze belofte betreft de opname van de gemeente die zal plaatsvinden vlak voordat de donkerste jaren in de wereldgeschiedenis aanbreken.
De ondoorgrondelijke goddelijke natuur wordt beschreven in 'God de Vader' die op zijn eeuwige troon zit, 'de zeven Geesten' voor de troon en 'God de Zoon', Jezus Christus, de trouwe Getuige, merkwaardig genoeg 'de eerstgeborene van de doden' genoemd – geboorte en dood zijn immers elkaars tegenpolen. Want door zijn dood en opstanding legde Hij de basis voor de vervulling van alle plannen van God vanaf de grondvesting van de wereld. Hij is inderdaad de trouwe Getuige, 'de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van Gods Persoon' (Hebreeën 1:3), wat Hij bleef, zelfs tijdens zijn leven als Mensenzoon te midden van een gevallen schepping, onder de meest moeilijke en uitdagende omstandigheden. Hij is inderdaad de Eerstgeborene, de belangrijkste van hen die ooit gestorven zijn, met wie niemand ooit vergeleken kan worden. In Jezus zal de Vader Zelf naar deze wereld komen, zoals gezegd wordt met 'Hij die is en was en zal komen'. Zoals Jezus ooit tegen zijn discipelen zei: ‘Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij?’ (Joh. 14:10)
Jezus is ook de ‘heerser over de koningen der aarde’, wat niet betekent dat koningen Hem bewust gehoorzamen. Integendeel, de geschiedenis is gevuld met de meest kwaadaardige daden van machthebbers. Aan de ene kant kon Jezus zeggen: ‘Alle macht in de hemel en op aarde is Mij gegeven’ (Mt. 28:18). Aan de andere kant schreef Paulus: ‘Maar nu zien wij nog niet dat alles aan hen onderworpen is. Maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd vernederd was boven de engelen, nu gekroond met heerlijkheid en eer’ (Heb. 2:8,9). Het koninkrijk van God moet nog komen in al zijn volheid en zal elk aspect van het menselijk bestaan vullen. Juist dit boek Openbaring vertelt ons hoe het zal komen. Wanneer het gekomen is, zullen koningen inderdaad ‘de Zoon kussen’ om niet ten onder te gaan (Psalm 2:10-12). En alle koningen uit het verleden zullen eens voor Hem verschijnen om geoordeeld te worden voor elke beslissing die zij hebben genomen.
Het is deze Eeuwige God, die mens geworden is in de persoon van Jezus, de Allerhoogste volgens alle maatstaven die de sterveling kent, die ons heeft liefgehad. Hoe moeten onze harten wel niet juichen van vreugde! En Hij heeft Zijn liefde getoond door Zichzelf te geven in de meest brute dood die men zich kan voorstellen: de dood aan het kruis, met alle gruwelen die daaraan verbonden waren, zelfs de onvoorstelbare gruwelen van het offer te worden voor zondige mensen om hen door Zijn bloed van hun zonden te verlossen. Daarmee maakte Hij hen die ervoor kozen volledig op Hem te vertrouwen tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader – bemiddelaars tussen God en de mensheid in het brengen van zegeningen hier beneden en lofprijzingen in de hemel. Hoezeer verdient Hij al onze bewondering, lof en aanbidding voor alle eeuwigheid.
De wederkomst van Jezus Christus zal de meest verbazingwekkende gebeurtenis in de hele geschiedenis zijn, zoals Hij Zelf Zijn discipelen voorspelde: ‘...en zij zullen de Zoon des Mensen zien komen in de wolken der hemelen met macht en grote heerlijkheid’ (Mattheüs 24:30). Enkele dagen later, staande voor het Sanhedrin, in de meest duistere omstandigheden, als de altijd onverschrokken, trouwe Getuige, zei Hij: 'Van nu af aan zult u de Zoon des Mensen zien zitten aan de rechterhand van de Almachtige en komen op de wolken van de hemel' (Matteüs 26:64). Vele ogen zullen Hem op die dag zien, al diegenen die zich vastklampen aan hun apparaten vanwege de verwachting van het begin van een nieuwe wereldoorlog, met de meeste legers van de wereld verzameld rond Jeruzalem. Maar het 'ieder oog zal Hem zien' uit Openbaring 1 zal verder reiken dan de dag van zijn komst, want de tekst vervolgt met: 'zelfs zij die Hem doorstoken hebben'. Dat deel van deze profetie zal nog duizend jaar moeten wachten, wanneer de overgebleven doden zullen opstaan om veroordeeld te worden, en de Joden en Romeinse soldaten die verantwoordelijk waren voor zijn dood hun laatste proces zullen ondergaan voor de grote witte troon en zullen sidderen van angst wanneer zij de Gekruisigde daarop zien.
Zijn komst met de wolken is ook het moment dat de pijnlijke waarheid aan het licht zal brengen over de enorme vergissing van het Joodse volk, wanneer zij eindelijk Hem zullen erkennen die zij zo'n 2000 jaar lang hebben veracht. Deze realisatie zal teweeggebracht worden door zowel zijn glorieuze terugkeer als de uitstorting van de Heilige Geest over hen, en zal leiden tot veel geweeklaag en geweend (Zacharia 12:10-13). Dit zal het moment zijn waarop de sluier die hun harten eeuwenlang bedekte, zal worden weggenomen (2 Korintiërs 3:15,16). Het zal het moment zijn waarop de goddeloosheid van Jakob zal worden afgewend (Romeinen 11:26). Maar niet alleen het volk Israël zal geschokt zijn door de tekortkomingen van de mens ten opzichte van de enorme pracht van Jezus. Alle volken van de wereld zullen getroffen worden door zijn macht en schoonheid en daarmee door hun eigen onvermogen om Hem te erkennen voor Wie Hij is.
Toen Jezus zichzelf 'de Alfa en Omega, de Heer God' noemde en zichzelf 'de Ene die is, die was en bovendien die zal komen' noemde, onderstreepte Hij de realiteit dat de terugkerende Zoon des mensen ook God Zelf is, de Almachtige.
Het is vaak in de moeilijkste omstandigheden van het leven, in afzondering van de maatschappij, dat God zijn openbaringen geeft, zoals we zien bij Johannes in ballingschap op het eiland Patmos, als een 'metgezel in de verdrukking, en in het koninkrijk en de volharding van Jezus Christus... omwille van het woord van God en omwille van het getuigenis van Jezus Christus'. Op het moment dat Johannes het visioen van de Openbaring ontving, was hij 'in de Geest op de dag die de Heer toebehoort', wat in plaats van een specifieke dag van de week een verwijzing zou kunnen zijn naar 'de dag des Heren', de dag waarop de Heer de volledige en wereldwijde heerschappij over de aarde zal overnemen bij de wederkomst van Jezus Christus. Dit laat ons zien dat, samen met de engel en Jezus, ook de Geest van God actief was in het visioen dat aan Johannes werd gegeven. Het is door de Geest dat ‘heilige mannen Gods gesproken hebben’: ‘Want de profetie is niet uit de wil van de mens voortgekomen, maar door de Heilige Geest gesproken, zoals zij daartoe bewogen werden.’ (2 Petrus 1:21).
De luide stem, als van een trompet, die Johannes hoorde, was die van de engel die de Heer had gezonden. Uit de mond van de engel hoort Johannes voor het eerst zijn opdracht: het getuigenis van zijn visioen in een boek op te schrijven en dit naar zeven gemeenten in Asia te sturen. Maar wanneer hij zich omdraait, ziet hij deze engel niet.
Wanneer Johannes zich omdraait, staat hij vol ontzag voor ‘de Zoon des mensen’. Johannes’ ogen volgen het kleed tot aan de voeten en gaan dan omhoog, naar de gouden gordel om de taille, tot aan het haar op het hoofd. Johannes’ ogen kunnen nauwelijks ontsnappen aan de doordringende blik die schittert als vlammen. Dan wenden Johannes’ ogen zich weer tot de voeten, die eruitzien als brons, brandend in een oven. Dan gaan ze weer omhoog, naar rechts, met zeven fonkelende sterren, nog hoger, waar Johannes een scherp, tweesnijdend zwaard uit de mond ziet komen, te midden van een gezicht dat straalt als de middagzon in de hoogzomer.
Johannes ziet Degene die hij drie jaar lang op aarde had gevolgd op een missie die eindigde aan het kruis. Hij ziet zijn Meester, Die schijnbaar een volkomen dood en schandelijk einde had bereikt, in ongeëvenaarde grootsheid en overweldigende macht, zodanig dat Johannes als dood aan zijn voeten neervalt. De stem van Jezus verschilt van die van de engel; ze klinkt niet als een trompet, maar als het geluid van stromend water (1:15), wat ons herinnert aan zijn levengevende kracht waarmee Hij iedereen die door de geschiedenis heen gestorven is, zal opwekken.
Dit is in feite de kern van de boodschap die Jezus hier brengt: ‘Wees niet bang. Ik ben de Eerste en de Laatste. Ik ben de Levende. Ik was dood, maar zie, Ik leef tot in eeuwigheid! Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.’ De stralende verschijning van Jezus in glorie is een duidelijk getuigenis van de meest vreugdevolle waarheid: ‘zie, Ik leef tot in eeuwigheid.’ Jezus heeft de sleutels van de dood en het dodenrijk. Het dodenrijk is het Griekse ‘rijk van de dood’, waarvan we vrijwel niets weten. Jezus vergeleek de dood ooit met slapen, met het niet bewust zijn: ‘Onze vriend Lazarus is in slaap gevallen, maar Ik ga hem daarheen om hem wakker te maken… Jezus had het over zijn dood gehad’ (Johannes 11:11-13). Aan de andere kant zei Jezus, sprekend over de patriarchen: ‘Hij is geen God van de doden, maar van de levenden, want allen leven voor Hem’ (Lucas 20:38). Deze twee kanten van de dood zouden kunnen worden bedoeld met ‘de dood en het dodenrijk’, en Jezus heeft de sleutels van beide. Zij zijn de sleutels tot de uitgang, terwijl de ingang door de hele geschiedenis heen open is gebleven. Iedereen die is gestorven, is de dood binnengegaan. Zodra Jezus alle doden heeft opgewekt, zullen de dood en het dodenrijk zelf vernietigd worden. ‘De laatste vijand die vernietigd zal worden, is de dood’ (1 Korintiërs 15:26). ‘En de dood en het dodenrijk werden in de vuurzee geworpen. Dit is de tweede dood’ (Openbaring 20:14).
Wie zou, na in de nabijheid van zulke onvoorstelbare macht en glorie te zijn gekomen, niet, zoals Johannes, op zijn knieën vallen in bewondering en aanbidding? Dat is het doel van Openbaring: dat we in ontzag voor de Mensenzoon knielen en ons hart volledig voor Hem openen, die als enige waardig is om zijn licht te laten schijnen in elke donkere hoek van ons leven. Dat is de enige weg naar verlossing: Jezus. Hem het enige middelpunt van ons bestaan laten zijn.
Vervolgens geeft Jezus Johannes zijn opdracht: ‘te schrijven’. Johannes moest drie dingen opschrijven: (1) Wat hij had gezien, (2) Wat er nu is en (3) Wat er later zal gebeuren. Wat hij had gezien, betreft zijn visioen van Jezus in hoofdstuk 1. Wat er nu is, heeft vooral te maken met de ontwikkeling van de kerk, die al enkele decennia bestond en die bijna 2000 jaar op aarde zou voortbestaan. Dit vinden we in hoofdstukken 2 en 3. Wat er later zal gebeuren, is wat er zal gebeuren nadat de kerk van de aarde is verdwenen. Dit vinden we in hoofdstukken 4-22, met uitzondering van hoofdstukken 12, 13 en 17, die ook enkele elementen bevatten van wat al geschiedenis is geworden.
De zeven kandelaren aan Jezus' voeten en de zeven sterren in zijn rechterhand verspreiden beide licht. De sterren zijn 'engelen' of 'boodschappers' van de kerken. Deze bijzondere mensen in de kerk moesten het licht brengen, de boodschappen die ze via de bediening van Johannes – het boek Openbaring – hadden ontvangen, zodat de kandelaren op volle sterkte zouden branden en hun licht in de donkere wereld zouden verspreiden en zoveel mogelijk zielen tot de Mensenzoon zouden trekken. Als de boodschappers hun taak volledig hadden vervuld en de kerken hadden geluisterd, zou de kerkgeschiedenis niet zo vol dwalingen en misvattingen zijn geweest. We zullen op enkele volgende pagina's van deze website dieper ingaan op de kerkgeschiedenis.
Openbaring 1
Jezus
Geschreven, voorjaar 2021
Vers 1-3
Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden, en Hij heeft die door Zijn engel gezonden en aan Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven.
Deze heeft van het Woord van God getuigd en van het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij gezien heeft. Zalig is hij die leest en zijn zij die horen de woorden van de profetie, en die in acht nemen wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.
Verbannen naar het eiland Patmos, ontvangt de apostel Johannes de meest fantastische visioenen. Velen noemen het boek om die reden: 'Openbaring van Johannes'. Maar het boek zelf geeft duidelijk aan: ‘Openbaring van Jezus Christus’. De vraag is waarom de term ‘Openbaring van Johannes’ dan zo vaak voorkomt op internet en in de literatuur. Als we goed lezen is sprake van een trap met vier treden. Bovenaan staat God (1), die de Openbaring geeft aan Jezus Christus (2) – op Hem heeft de openbaring betrekking. Jezus zendt deze Openbaring door middel van een engel (3) aan zijn slaaf Johannes (4). Deze Johannes was de discipel waarvan Jezus zei: ‘Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?’ Op basis daarvan verspreidde zich het gerucht onder de discipelen dat Johannes zou blijven totdat Jezus terug kwam. In zekere zin heeft hij in de Openbaring van Jezus Christus, die hij ontving, de komst van zijn Heer meegemaakt in het visioen. Maar hoewel Johannes een belangrijk instrument was om te aanschouwen en op te schrijven, hij is niet degene aan wie de Openbaring in eerste instantie was gegeven en hij is al helemaal niet het Onderwerp, de centrale Persoon, die wordt geopenbaard. Jezus Christus is de eerste ontvanger van de Openbaring. God heeft Hem in eerste instantie ‘bijgepraat’ over wat er in de toekomst gaat gebeuren, waarin Hij de centrale rol vervult.
Daarom kun je je afvragen of de opmerking van Jezus dat niemand ‘die dag en dat moment kende, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, maar alleen de Vader’, specifiek slaat op het moment van de Olijfbergrede, die Jezus sprak tot zijn discipelen. Sindsdien heeft de Zoon Zich met zijn Vader gezet in de troon van zijn Vader. De Vader heeft Hem terstond verheerlijkt. Hoe zou de Zoon in zijn verheerlijking dan het moment van zijn terugkeer niet weten? Maar toen, als Zoon des Mensen in zijn vernedering van dat moment, kort voor het kruis, wist ook Hij de dag en het uur niet.
Een belangrijke vraag is natuurlijk of de dag van zijn komst ook een onderdeel is dat aan ons in deze Openbaring van Jezus Christus is doorgegeven. Als dat zo is, dan zou men op basis van dit boek moeten kunnen bepalen wanneer de terugkeer van Jezus zal plaatsvinden. Het probleem is echter dat alle methoden, die worden gebruikt om het jaar, de maand of zelfs de dag af te leiden, gebaseerd zijn op historische gebeurtenissen van lang na het schrijven van het boek Openbaring. Men rekent dan bijvoorbeeld met het jaar van de stichting van de staat Israël of met de dag van een bepaalde constellatie van planeten en sterrenstelsels aan de hemel. Deze berekeningen snijden echter geen hout. Men moet de Bijbelteksten behoorlijk uit hun verband rukken om er mee aan het rekenen te slaan.
Mocht één van deze berekeningen uitkomen in de buurt van belangrijke toekomstige gebeurtenissen, als de opname van de gemeente in wolken of de terugkeer van Jezus met de wolken van de hemel, dan is dat meer geluk dan wijsheid. Mogelijk houdt God rekening met onze menselijke neiging bepaalde teksten uit hun verband te rukken en laat Hij bijvoorbeeld de opname plaatsvinden op hemelvaart van 2021 (morgen dus, op moment van schrijven….). De enige gebeurtenis waar op grond van expliciete Bijbelse gegevens mee te rekenen valt, is het verbond dat Israël zal sluiten met een Westerse wereldleider. Circa zeven jaar later is alles voorbij, is Jezus op de wolken teruggekeerd en heeft Hij afgerekend met alle vijanden van God. Echter, de sluiting van dat verbond ligt na de opname van de gemeente en de datum van de opname is op grond daarvan dus niet te bepalen.
Typerend is de derde trede in de trap die hierboven is beschreven, de engel. Waarom gebruikt Jezus een engel om de Openbaring door te geven aan Johannes en waarom doet Hij dit niet rechtstreeks. Jezus en Johannes kennen elkaar toch? We weten dat God in het Oude Testament bij het doorgeven van boodschappen gebruik maakte van engelen. Engelen zijn ‘boden’, het zijn dienende geesten, die worden uitgezonden tot dienst ten behoeve van hen die de behoudenis ontvangen. Mozes ontving de wet door bemiddeling van engelen. Dat gebeurde hoewel God met hem omging als vriend en Hij tot hem sprak van tussen de cherubs boven het verzoendeksel van de ark van het verbond. Daniël ontving door bemiddeling van engelen, waaronder Gabriël, een hele reeks boodschappen, terwijl hij een ‘zeer beminde man’ werd genoemd. Maria ontving van de engel Gabriël de geboorte-aankondiging van Jezus. Maar dat was Oude Testament. We zijn hier in het Nieuwe Testament. In het Nieuwe Testament wordt alles omgedraaid. Een Mens is in de hemel en God de Geest is op aarde. Het Joodse volk, dat nabij was, dwaalt grotendeels af en volken die aan de God van Israël part noch deel hadden komen nabij. In plaats van een strenge scheiding tussen Joden en niet-Joden, zijn de gelovige Jood en de gelovige Griek één gemaakt. In plaats van één plaats van aanbidding gaat het om één Geest van aanbidding. In plaats van engelen die iets aan de gelovigen meedelen, verkondigen de gelovigen aan overheden en machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God, dingen waarin engelen begerig zijn een blik te werpen.
Sinds het verlossingswerk van Jezus, zijn opstanding, zijn hemelvaart en de uitstorting van Gods Geest, leven we in een ‘nieuwe tijd’, waarin alles draait om Gods liefde tot ons en onze liefde tot Hem en onze onderlinge liefde tot elkaar. Dat gaat veel verder dan de wet, die daarom naar de achtergrond verschoof. Jood en Griek zijn één in Christus en beiden worden geleid door Gods Geest en niet langer door regels in de wet. Maar waarom zijn we dan met Openbaring, om zo te zeggen, terug in Oudtestamentische omstandigheden? En Johannes was nota bene de discipel die Jezus liefhad. Waarom spreekt Jezus niet rechtstreeks tot Johannes, zoals Hij wel deed tot Paulus, zowel door aan hem te verschijnen als door de Geest.
Het lijkt erop dat Gods Geest meteen aan het begin van het boek de toon wil zetten. Dit boekt wijkt in zekere zin af van de andere boeken van het Nieuwe Testament. Met dit boek bevinden we ons weer grotendeels op Oudtestamentische grond. Het overgrote deel van het boek knoopt een groot aantal profetieën voor het volk Israël aan elkaar, hoofdzakelijk profetieën over de laatste, zeventigste jaarweek van Daniël. Vanaf het vierde hoofdstuk is de gemeente van God niet langer op aarde maar in de hemel en vanaf het zevende hoofdstuk zien we dat een aparte plaats wordt ingeruimd voor het volk Israël. De hemel is de woonplaats van de gemeente. Dat lezen we niet zozeer in Openbaring als wel in de brieven van Paulus en de overige geschriften van Johannes. Openbaring getuigt overduidelijk dat de tijd zal komen dat de gemeente thuis gehaald zal worden en dat Israël weer apart zal staan in Gods plannen ten opzichte van de overige volken. Daar hoort die bemiddeling door een engel dus ook bij.
Maar dat is niet het enige. De tweede reden voor de betrekkelijke afstand tussen Jezus en Johannes is de manier waarop Jezus Zich openbaart aan zijn gemeente. Hij spreekt hier niet als Zoon van de Vader, die ons ‘kinderen’ en zelfs ‘broeders’ noemt, zoals in het evangelie en de brieven van Johannes maar Hij spreekt hier als de Rechter van de gemeenten, die hen moet wijzen op hun falen maar ook op hun verdiensten en die hen wijst op beloningen die zij krijgen als zij overwinnen maar ook op de consequenties van het volharden in een verkeerde houding. Daarmee stemt de gestalte overeen waarin Hij aan Johannes verschijnt. Die is dermate indrukwekkend, dat Johannes de Jezus van Nazareth daarin niet terug herkent en als dood voor zijn voeten neervalt.
Waar de Oudtestamentische toon ook in terugkomt is het woord ‘slaven’. De gemeente wordt hier niet primair gezien in haar glorieuze positie van vrouw van Jezus, maar als een verzameling slaven. Het woord slaaf heeft in onze cultuur een zeer negatieve connotatie gekregen, door de verschrikkelijke tijd van slavenhandel in de zeventiende en achttiende eeuw. Het beeld van ‘slaaf’ was in die tijd totaal anders. Slaven werden over het algemeen goed behandeld en konden een positie van aanzien bekleden. Het boek Openbaring sluit wat dit betreft goed aan bij de gelijkenissen uit de Olijfbergrede, waar het ook gaat om slaven of dienstknechten, die – als het goed is – op hun Heer wachten. Het boek Openbaring legt met dit alles een sterke nadruk op de menselijke verantwoordelijkheid van gelovigen ten opzichte van hun Heer. Hun positie als hemels lichaam in eenheid met Christus, het hoofd, is daaraan ondergeschikt. Overigens zijn de verantwoordelijkheid en de positie niet tegenstrijdig maar zij vullen elkaar aan. Als lichaam van Christus zijn wij leden van Christus als Hoofd en in een goed functionerend lichaam luisteren alle leden precies naar de signalen die het Hoofd uitzendt. Overigens is Christus ons voorgegaan als slaaf. Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen. Dat komt hier tot uitdrukking in 'het Woord van God en het getuigenis van Jezus'. Hij heeft Gods Woord gebracht en een zeer indrukwekkend getuigenis nagelaten. Wij drukken zijn voetstappen. Wij zetten zijn getuigenis in deze wereld voort. Daarop worden de zeven gemeenten aangesproken. Daarin onderscheiden zich ook de gelovigen die na de opname van de gemeente tot geloof komen en het 'getuigenis van Jezus' op aarde voortzetten.
Een woord waar menig lezer van het boek Openbaring over gevallen zal zijn, is het woord ‘spoedig’. Er staat dat Jezus zijn slaven toont ‘wat spoedig moet gebeuren’. En ten overvloede wordt daar nog aan toegevoegd: ‘De tijd is nabij’. Hoe kan dat, nu we al bijna 2000 jaar verder zijn en Jezus nog steeds niet is teruggekomen? Vanwege het ‘moet gebeuren’, is er een aansluiting met dat wat ‘hierna moet gebeuren’. Dat betreft het toekomstige tijdvak waarin het Lam begint de zegels van de boekrol te verbreken en de laatste jaarweek van Daniël van start gaat, die eindigt met Jezus' terugkeer. Waarom heeft dat na zo lange tijd nog steeds niet plaatsgevonden? Hoezo spoedig? Hoezo nabij? Men kan daar het volgende op zeggen.
In de eerste plaats betekent het woord ‘spoedig’ in de grondtekst niet ‘binnenkort’ maar ‘in haast’, ‘met snelheid’. We zien bij de gebeurtenissen in Openbaring inderdaad een zeer voortvarend handelen van het Lam in het verbreken van de zegels en daarna van de engelen bij het blazen van de bazuinen en het uitgieten van de schalen. We lezen halverwege het boek van de tegenstander van God dat hij weet dat hij ‘weinig tijd heeft’. Waar de tijd van de gemeente langzaam voortkabbelt en de gemeente langzaam maar zeker haar voltooiing bereikt, gebeurt er in het tijdvak dat Openbaring grotendeels beschrijft gedurende zeven jaar meer dan in de voorgaande 1900 jaar.
In de tweede plaats kan het woord ‘nabij’ ook ‘immanent’ betekenen. Dat houdt in dat er niets speciaals hoeft plaats te vinden alvorens de gebeurtenissen die worden beschreven zullen passeren. Er is geen enkele gebeurtenis die van Godswege nog moet plaats vinden voordat het toekomstige deel van het boek, vanaf het vierde hoofdstuk, met de gemeente in de hemel, van start zal gaan. Deze tekst ‘de tijd is nabij’ is daarmee een bewijstekst voor het ‘immanent’ zijn van de opname van de gemeente over de afgelopen 2000 jaar. Elk moment had die opname kunnen plaatsvinden en had het Lam kunnen starten de boekrol te nemen en de zegels te verbreken.
Overigens hebben ook de hoofdstukken 2 en 3 een profetisch karakter. Terugkijkend na 2000 jaar kerkgeschiedenis kunnen we opmerken dat de brieven aan de zeven gemeenten een zeer nauwkeurig verloop van de christenheid schetst. Daaruit blijkt dat alles vast ligt in Gods raadsbesluiten en dat we vaak alleen achteraf kunnen zien hoe nauwkeurig zijn Woord is. Tweeduizend jaar lang was de komst van Christus evenwel dagelijks door christenen te verwachten, ook al deden ze het niet en had God dat al voorzien. Ook de tijd is Gods schepping en Hij regeert erover. Dat Hij dit presteert met het intact laten van menselijke verantwoordelijkheid en vrije wil maakt Hem alleen maar groter.
Vers 4 - 20
Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede, van Hem Die is en Die was en Die komt, en van de zeven Geesten, Die voor Zijn troon zijn, en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden en de Vorst van de koningen der aarde. Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben. En alle stammen van de aarde zullen rouw over Hem bedrijven. Ja, amen. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.
Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de volharding van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, omwille van het Woord van God en het getuigenis van Jezus Christus.
Ik was in de geest op de dag des Heeren en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, die zei: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste, en: Wat u ziet, schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea.
En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij had gesproken. En toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaren. En te midden van de zeven kandelaren zag ik Iemand Die op de Zoon des mensen leek, gekleed in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar waren wit, als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen waren als een vuurvlam, en Zijn voeten waren als blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven, en Zijn stem klonk als het geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand en uit Zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht. En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf.
Schrijf nu op wat u hebt gezien, en wat is, en wat hierna zal geschieden. Het geheimenis van de zeven sterren die u in Mijn rechterhand hebt gezien, en van de zeven gouden kandelaren is: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenten, en de zeven kandelaren die u hebt gezien, zijn de zeven gemeenten.
Het eerste hoofdstuk van Openbaring is voor het allergrootste deel gevuld met de beschrijving van Jezus Christus, zowel in de aanhef als in de beschrijving van de ontmoeting die Johannes met Hem heeft. Daarin zien we een overvloed van aanwijzingen dat Jezus Zoon des mensen en tevens God Zelf is. Achtereenvolgens worden genoemd:
1. De geadresseerden, de zeven gemeenten in Asia
2. Degene van Wie genade en vrede komen
a. Hem die is en die was en die komt
b. De zeven Geesten die voor zijn troon zijn
c. Jezus Christus, die genoemd wordt:
1. De trouwe Getuige
2. De Eerstgeborene van de doden
3. De Overste van de koningen van de aarde
4. Hem die ons liefheeft …
5. Hij die komt met de wolken …
De zeven Geesten corresponderen met de zeven gemeenten. De Geest van God woont immers in de gemeente. Openbaring toont de gemeente door het prisma van de tijd, waardoor zij uiteenvalt in zeven opeenvolgende verschijningsvormen. Elk van die manifestaties van de gemeente op aarde kan rekenen op het licht en het vuur van Gods Geest, dat voortdurend aanwezig is voor Gods troon. Dat vuur een beeld is van de Geest, was zichtbaar bij zijn komst op PINKSTEREN, toen tongen als van vuur verschenen en zich verdeelden over de gelovigen.
Verder blijkt hier ook de eenheid van de Personen in de Godheid, Vader, Zoon en Heilige Geest. Mensen vragen zich soms af of ze in de hemel drie afzonderlijke gestalten van God tegen zullen komen. Dat is niet het geval. Alles van God is zichtbaar in Jezus. Als Hij, ‘die is en die was en die komt’ (zie 2a, boven) de Vader is, dan wordt diens komst volledig uitgevoerd door de Zoon. Want het is Jezus, de Zoon, die komt met de wolken. Alles wat we van God kunnen zien, in tijd en eeuwigheid, zien we in de Zoon. Daarom zei Jezus tegen THOMAS: ‘Wie Mij heeft gezien heeft de Vader gezien’ en schreef PAULUS: ‘In Hem woont de volheid van de godheid lichamelijk.’ EN: ‘Hij is het beeld van de onzichtbare God’. EN: ‘de Zoon … die de uitstraling is van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’.
Ook in het Oude Testament wordt zo nu en dan een tipje van deze sluier opgelicht. Openbaring sluit in veel opzichten naadloos aan bij het Oude testament. In zijn droom ziet DANIËL dat tronen worden opgesteld en dat een Oude van dagen Zich neerzet met een kleed, wit als sneeuw, en zijn hoofdhaar blank als wol. Hij ziet een troon van vuurvlammen en duizendmaal duizenden die Hem dienen en tienduizend maal tienduizenden die vóór Hem staan. Het oordeel over de wereldrijken van de voorgaande circa 2500 jaar wordt geveld. Het afschuwelijke schrikwekkende laatste rijk, het Romeinse rijk, wordt vernietigd en overgegeven aan het vuur van het oordeel. Dan komt met de wolken van de hemel iemand gelijk een mensenzoon, die voor de Oude van Dagen wordt geleid en aan wie de wereldregering tot in eeuwigheid wordt gegeven.
In het proces voor het SANHEDRIN sluit Jezus bij deze profetie aan, als Kajafas Hem, bij gebrek aan bewijs, dwingt om te getuigen Wie Hij is. Jezus antwoordt: ‘Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht en zien komen op de wolken van de hemel.’ Dit is de wending in het proces, die leidt tot Jezus' veroordeling en terechtstelling. Jezus verbindt hier PSALM 110 ‘de HEER heeft gezegd tot mijn Heer: zet u aan mijn rechterhand totdat ik uw vijanden zal maken als een voetbank voor uw voeten’ met de genoemde profetie van Daniël, waarin de Zoon des mensen komt met de wolken van de hemel.
Als we de uitleg van Daniëls droom lezen, dan wordt gezegd dat er strijd wordt gevoerd door het rijk tegen te heiligen van God ‘totdat de Oude van dagen kwam’. Het is de Oude van dagen Zelf, die Hij komt met de wolken van de hemel. Hij komt in de Persoon van de Zoon. De volheid van de Godheid wordt in de Zoon openbaar. Deze ‘Zoon des mensen’ verschijnt ook aan Johannes. De beschrijving van de Zoon des mensen lijkt precies op die van de Oude van dagen uit de droom van Daniël, met zijn hoofd en haar wit, als witte wol en zijn voeten als blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven. De Oude van Dagen verschijnt in de Persoon van de Zoon des mensen.
Gods stem klinkt halverwege het hoofdstuk: ‘Ik ben de alfa en de oméga, zegt de HEER, God, Hij die is en die was en die komt, de Almachtige.’ Verderop in dit hoofdstuk is het Jezus, die Zichzelf de alfa en oméga noemt: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste …. Ik ben de Eerste en de Laatste en de Levende en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.’ Ook aan het SLOT VAN OPENBARING horen we Jezus Zichzelf de alfa en oméga noemen: ‘Zie Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om ieder te vergelden zoals zijn werk is. Ik ben de alfa en oméga….. Ik Jezus, heb mijn engel gezonden…’
Jezus wordt in Openbaring met een grote verscheidenheid aan titels aangeduid. Allereerst wordt Hij de trouwe Getuige genoemd. Door heel het boek Openbaring gaat het om het woord van God en het getuigenis van Jezus. Jezus is de trouwe Getuige. Hij heeft van God en daarom ook VAN ZICHZELF getuigd, dat is de waarheid over der werkelijkheid waarin wij leven. Hij is DE WAARHEID en Hij heeft erover getuigd, allerlaatst voor PILATUS. Buiten Hem is er geen waarheid. Alle wereldbeelden waar Hij niet de centrale plaats als God inneemt zijn leugens. Alles wat gelovigen doen is zijn voetsporen drukken in het verspreiden van zijn getuigenis.
Jezus wordt daarna de eerstgeborene uit de doden genoemd. ‘Eerst’ duidt niet op een chronologische volgorde maar op een rangorde in belangrijkheid. Eerstgeborene betekent degene die de eerste plaats inneemt. Hij is ook de EERSTGEBORENE van de hele schepping – eerste in rang boven alle schepselen; let wel, hier staat ‘Eerstgeborene’. Jezus is niet geschapen. Voor Hij werd geboren bestond Hij als de eeuwige Zoon. Als geboren uit een vrouw neemt Hij de eerste plaats in binnen de totale schepping. PAULUS en Johannes noemen Hem daarnaast ‘eerstgeborene’ uit de doden. Van allen die dood zijn of ooit dood waren, is Hij de belangrijkste. Hij heeft immers de dood overwonnen. Hij heeft ‘de sleutels van het dodenrijk en de dood’. En: ‘Evenals in Adam allen sterven, zo zullen IN CHRISTUS allen levend worden gemaakt.’ En:‘Want als door de overtreding van de ene de dood geregeerd heeft door de ene, veel meer zullen zij die de overvloed van de genade en van de gave van de gerechtigheid ontvangen, in het leven regeren door de Ene, namelijk JEZUS CHRISTUS.’ Hij heeft ‘de dood tenietgedaan, en het leven en de ONVERGANKELIJKHEID aan het licht gebracht.’
Jezus wordt vervolgens de overste van de koningen van de aarde genoemd. Trouwe getuige is Hij vanwege zijn leven in getuigenis op aarde. Eerstgeborene van de doden is Hij vanwege de korte tijd van drie dagen in het graf. Overste van de koningen van de aarde is Hij uit hoofde van zijn opstanding. Tegen zijn discipelen kon Hij zeggen: Mij is gegeven ALLE MACHT in de hemel en op aarde. Dat wil niet zeggen dat de koningen van de aarde dit beseffen, laat staan erkennen. Het boek Openbaring laat zien dat de koningen van de aarde zich tot op het laatste moment HEFTIG VERZETTEN tegen de macht van hun Overste, Jezus Christus. In Hebreeën lezen we dat God alles aan de voeten van de Zoon des mensen HEEFT ONDERWORPEN maar ook dat wij op dit moment nog niet alles aan Hem onderworpen zien. Hij oefent zijn macht nog niet uit. De manier waarop Hij dat gaat doen, wordt beschreven in dit boek, de Openbaring van Jezus Christus. In Openbaring komen we daarom steeds weer koningen, machthebbers, tegen, die uiteindelijk een oorlog tegen Jezus ontketenen en worden uitgeschakeld.
De korte lofzang begint met de liefde van Jezus voor ‘ons’, de gelovigen. Het is de onvoorwaardelijke goddelijke liefde, agapaō. Deze liefde van Jezus voor zijn gemeente was meer het onderwerp van het evangelie en vooral van de BRIEVEN VAN JOHANNES. In het boek Openbaring komt het woord agapaō richting gelovigen alleen nog voor in 3:9, in verband met de gemeente te Philadelphia. Openbaring is het boek waarin de bekrachtiging en de uitvoering van de juridische claims van Jezus op de schepping uiteen worden gezet. Openbaring verplaatst ons daarom naar de troonzaal van God. De warme liefde in het vaderhuis, waar de goddelijke liefde voor de gemeente centraal staat, schemert hier en daar wel even door maar is niet de hoofdzaak.
Ook de reiniging van zonden door zijn bloed wordt alleen hier genoemd. Verder is de oplossing van het zondevraagstuk in de afwassing en vergeving van zonden niet het onderwerp van Openbaring maar van de geschriften van Paulus, met name de brief aan de ROMEINEN. Het onderwerp van Openbaring is niet de afwassing door zijn bloed maar de koop door zijn bloed, wat Hem alle rechten geeft op de schepping, om die door en door te reinigen. Dat is geen reiniging door bloed maar door OORDEEL. We zien God optreden tegen een zondige wereld die alle mogelijkheden van reiniging door bloed en vergeving heeft afgewezen. We zien hoe het vuur van Gods oordelen de aarde op een hardhandige manier reinigt van zonde. Met allen die aan de zonde vasthouden wordt voorgoed afgerekend en de zondige structuren, die de wereld zolang beheerst hebben, worden tot de grond toe afgebroken in de vernietiging van het grote Babylon en het laatste wereldrijk.
Johannes is verbannen naar het eiland Patmos op het moment dat de verheerlijkte Jezus aan zijn discipel verschijnt. De luide stem van Jezus klinkt, op het moment dat Hij Zich roepend aan Johannes bekend maakt, als een bazuin en daarna, als Hij spreekt, klinkt zijn stem als het geluid van vele wateren. Dat Zich roepend bekend maken van God herinnert ons aan de openbaring van God aan MOZES, toen riep de HEERE eveneens zijn naam. De gestalte van Jezus is dermate indrukwekkend dat Johannes, de discipel die bij het LAATSTE AVONDMAAL aanlag in de schoot van Jezus, als dood voor Hem neervalt. De manifestatie van Jezus lijkt in bepaalde opzichten op die van de Man, die bij de rivier de Tigris aan DANIËL verscheen: ‘gekleed in linnen, Zijn heupen omgord met het fijne goud uit Ufaz Zijn ogen als vuurfakkels, Zijn armen en Zijn voeten als de glans van gepolijst koper en het geluid van Zijn woorden als het geluid van een menigte.’ De zon die straalt in haar kracht herinnert ons aan de verandering van de gedaante van Jezus op de BERG DER VERHEERLIJKING.
Van groot belang is vers 19. Het is de sleutel voor de indeling van het boek. Johannes moet drie dingen opschrijven:
1. Wat hij had gezien – Hoofdstuk 1, de verschijning van Jezus
2. Wat is – Hoofdstukken 2 en 3, de gemeenten die op dat moment in Asia bestonden en die een blauwdruk zijn van de geschiedenis van het huidige tijdvak van de gemeente van God op aarde.
3. Wat hierna zal geschieden – Hoofdstukken 4-21, de gebeurtenissen die zich zullen voordoen nadat het tijdvak van de gemeente is afgesloten en God de draad met zijn volk Israël weer oppakt.
De werkwoord tijd is belangrijk in Openbaring. Het visioen van de verheerlijkte Jezus staat in de verleden tijd. Als Jezus begint met spreken, ‘en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij…’ gaat Openbaring over op de tegenwoordige tijd. Direct na de opdracht te schrijven, geeft Jezus uitleg over de zeven sterren en de zeven kandelaren. Dat ‘zijn’ respectievelijk de zeven engelen van de zeven gemeenten en de zeven gemeenten. Dit staat eveneens in tegenwoordige tijd en slaat op dat wat ‘is’. Dan dicteert Jezus wat Johannes moet schrijven aan de zeven gemeenten. Vanaf hoofdstuk 1:17 tot en met 3:22 is sprake van een monoloog van Jezus richting de schrijvende Johannes, die volledig staat in tegenwoordige tijd.
Vanaf hoofdstuk 4 gaat Openbaring weer terug in de verleden tijd, wat vreemd is voor iets wat nog moet gebeuren. De reden is dat de dingen die nog toekomstig zijn, bekeken vanuit Gods perspectief, net zo zeker zijn als de geschiedenis die reeds achter ons ligt. God is 'Hij die was en die is en die komt'. God heeft niet alleen alles voortgebracht maar Hij heeft de ‘werelden’ of de ‘eeuwen’ geschapen. Hij ‘draagt ook alle dingen door het woord van zijn kracht’. God houdt alles in stand en bepaalt de loop der gebeurtenissen – daarbij de menselijke verantwoordelijkheid en keuzevrijheid volledig intact latend. Regelmatig wordt in Openbaring immers een beroep gedaan op de menselijke verantwoordelijkheid. Mensen worden herhaaldelijk opgeroepen zich te bekeren, zowel de GEMEENTEN als de ONGELOVIGEN. Toch staat de ontwikkeling van de wereldgeschiedenis vast in Gods plannen.
Add comment
Comments